| |
Achteraanweeg |
rechter zijgevel van het molenkot, aan de kant van de vangbalk |
 |
Baansteen |
ofwel: Halssteen: stenen lager waarop de hals van de as draait |
 |
Berriebalk |
liggen onder de vloer rond de staak die de molen beletten te slingeren en in evenwicht houden |
 |
Blote roe |
|
| |
Hoekstijlen |
elk van de vier vertikale balken in de hoeken van het molenkot |
| |
Kambuis |
dit zijn de kamers die aan sommige molens werden bijgebouwd wegens plaatsgebrek |
| |
Kap |
dak van de molen |
 |
Klauwijzer |
staakijzer: vertikale ijzeren spil die de loper aandrijft |
| |
Kruisbalk |
|
 |
Kruisplaten |
elk van de twee zware balken waarvan de uiteinden op de teerlingen rusten die samen het kruis aan de basis van de molenvoet vormen |
 |
Loper |
(voor de achtermolen): bovenste, draaiende molensteen |
| |
Maalzolder |
graanzolder |
| |
Maneberd |
|
 |
Middenlijsten |
ook wel steenlijst genoemd, horizontale balk in de zijweeg van het molenkot, op het uiteinde van de steenbalk |
| |
Molenkruis |
|
| |
Molenstaak |
dikke houten boom waarop het kot van de houten molen draait |
 |
Pinnenbalk |
dwarse blak die de voeghouten verbindt en de pinsteen draagt |
| |
Roeden |
elk van de twee houten of ijzeren balken die door de askop gaan en samen het wiekenkruis vormen. De houten rode bestond uit een pestel en twee roe-einden |
 |
Roe-einden |
einde van de roe |
| |
Spanstaven |
|
| |
Steekbanden |
het volle gewicht van de staak en de molen rust op de steekbanden, die de vastheid en stevigheid van de staak en de kruisplaten verzekeren. De onderste vier steekbanden zijn de okselbanden en dragen de staak. De bovenste vier steekbanden, de meesterbanden houden de staak recht |
 |
Steenbalk |
zware balk die de nok van de staak kan draaien en het volledige kot draagt |
 |
Steenzolder |
wordt zo genoemd omdat de koppels maalstenen daar aanwezig zijn om het graan te malen. De onderste zolder wordt ook de hel genoemd |
 |
Teerlingen |
4 gemetselde blokken waarop de molen staat; Ze staan steeds naar de vier windstreken gericht. de noorder- en zuiderteerlingen zijn hoogteteerlingen, de andere laagteteerlingen |
| |
Vang |
het "vangen" van de molen; de molen remmen noemt men vangen, met andere woorden, het "remsysteem" |
 |
Vangbalk |
zware balk die de vang aangespannen houdt |
| |
Vangwiel |
aswiel waarop de vang werkt |
| |
Vooraanweeg |
linker zijgevel van het molenkot |
| |
Voorbalk |
|
 |
Voorwiel |
|
 |
Wiekenkruis |
|
 |
Windpul |
windpeluw: zware balk die de achtereinden van de daklijsten of voeghouten verbindt en de halssteen draagt |
| |
Windveeg |
zijde van het molenkot aan de kant van de roeden |
| |
Wortels |
|
 |
Zijweeg |
zie Achteraanweeg en Vooraanweeg |
| |
|
|